september 2013

dinsdag 4 december 2012

1 op 3 basisschoolkinderen met de auto gebracht

Veel mensen hebben zo hun ideeën over hoe kinderen naar de basisschool gaan en welke ontwikkelingen er spelen. Het dashboard ‘Onderweg naar de basisschool’ zet de feiten op een rij. Die feiten, zijn vaak anders dan je zou verwachten. Zoals:


89,7 % van de basisschoolleerlingen woont op loopafstand (1 km) van school en 97% op fietsafstand (2 km). Toch komt slechts tweederde te voet of per fiets. 30% wordt met de auto gebracht. En slechts 17% van de basisschoolkinderen gaat zelfstandig naar school.

De beleving van ouders van de verkeersonveiligheid is een belangrijke verklaring voor het halen en brengen van de kinderen. Gevolg is dat kinderen steeds minder verkeerservaring opdoen. Dat vormt een risico wanneer ze (zelfstandig) naar de middelbare school gaan, die vaak verder weg ligt. Kinderen hebben overigens vaak een veel reëlere kijk op de weg van huis naar school dan hun ouders. De visie van de ouders beperkt zich vaak tot de parkeersituatie bij de school.

Bewegingsarmoede, overgewicht en verkeersonveiligheid


Kinderen in het verkeer
  • In 2012 was ruim 10,5% van de totale bevolking in de leeftijd 0 t/m 12 jaar. 
  • Kinderen in de leeftijd van 0-14 jaar reizen gezamenlijk ruim 18 miljard kilometer per jaar. Verreweg de meeste van deze kilometers worden afgelegd als autopassagier: 75% van het aantal reizigers-kilometers. Fietskilometers (zelfstandig of als passagier) vormen 14% van het totaal. Voetgangerskilometers spelen nauwelijks een rol: 3% van het totaal. 
  • Per jaar vallen er ongeveer 35 doden in verkeer in de leeftijd 0-14 jaar. 
  • Voor alle vervoerswijzen samen valt er per miljard reizigerskilometers onder kinderen van 0-5 jaar: één dode. Onder de 6-11-jarigen zijn dit er: 1,8 en onder de 12-14-jarigen: 3,7 (periode 2005-2007). Voor de volwassenen (15+) zijn dat er 4,2.

In hoofdlijnen zijn er drie problemen te onderscheiden:
  1. kinderen bewegen minder en nemen minder zelfstandig deel aan het verkeer;
  2. maatschappelijke tendens: meer kinderen met overgewicht;
  3. kinderen verongelukken in het verkeer.

Kinderen bewegen minder en nemen minder zelfstandig deel aan verkeer

Spelen kent veel concurrentie
Er zijn aardig wat factoren waarom kinderen tegenwoordig meer binnenshuis spelen. Zo is in meer dan 70 procent van de Nederlandse gezinnen een pc aanwezig (en waarschijnlijk ook spelletjes) naast video's, muziek en kast(en) met 'gewoon' speelgoed. Ook spelen, sporten of recreëren kinderen meer georganiseerd: vier op de vijf kinderen zijn lid van één of meer clubs. Gemiddeld speelt ruim 80 procent meer dan drie keer per week buiten. De piek ligt daarbij in de leeftijdsgroep van zeven en acht jaar (86 procent). 

Gelukkig is er ook goed nieuws: slechts anderhalf procent van de kinderen tussen 4-12 jaar speelt nooit buiten en 17,5 procent minder dan drie keer per week. Hoe landelijker de woonomgeving, hoe meer de kinderen buiten spelen. In grote steden wordt gemiddeld zo'n 75 minuten per dag geknikkerd en gevoetbald. In gemeentes met minder dan 30.000 inwoners spelen kinderen langer buiten: 108 minuten per dag. Het geslacht maakt eveneens verschil. Jongens vanaf 11-12 jaar zijn buiten beduidend actiever dan meisjes; bijna de helft van de meisjes speelt dan niet meer buiten. 
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. (08 november 2010).

Waarom kinderen volgens hun ouders (bijna) niet buiten spelen 

Redenen waarom 19 procent van de kinderen nooit of weinig buiten spelen (ongeveer 300.000 kinderen) zijn volgens de ouders:
  • ze spelen liever binnen;
  • de omgeving is ongeschikt;
  • er zijn geen kinderen in de buurt om mee te spelen;
  • de verkeerssituatie is te gevaarlijk.
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. 2010

Beperkte vrijheid
Kinderen mogen wel buiten spelen, maar de bewegingsvrijheid is gelimiteerd. Verkeersonveiligheid blijkt voor veel ouders een remmende factor. Zeker een derde van de ouders of verzorgers blijft daarom opletten, vooral bij de allerjongsten. Bijna de helft van de kleuters komt bij wijze van spreken het tuinhekje nog niet alleen voorbij. Hoe ouder het kind, hoe groter diens bewegingsruimte wordt. Slechts een kleine 30 procent van de vaders en moeders laat hun kroost met een gerust hart buiten de eigen buurt spelen. In de kleinere kernen ligt dat percentage iets hoger.

Bepalende factoren bewegingsvrijheid kinderen

3 factoren bepalen de bewegingsvrijheid van kinderen:
  • leeftijd: hoe ouder het kind hoe meer bewegingsvrijheid;
  • geslacht: jongens worden eerder en meer vrijgelaten dan meisjes;
  • beleving verkeersveiligheid: de verkeersveiligheid in de middelgrote steden wordt het meest negatief beoordeeld door ouders.
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. 2010

‘Hockey-moms’ druk met halen & brengen
Met name de acht- tot twaalfjarigen zijn actief in het verenigingsleven. Ze worden gebracht, want de meeste clubs blijken niet direct in de buurt te zijn. Meer dan driekwart van de ouders brengt de kinderen weg en haalt ze weer op. Ruim 43 procent pakt daarvoor de auto. Bijna de helft fietst met de kinderen mee of neemt ze achterop. Pas als kinderen een jaar of elf, twaalf zijn mag de meerderheid zelfstandig een grotere afstand overbruggen. De ‘hockey- and soccer moms’ hebben een drukbezet haal- en brengpatroon. Naast  factoren uit het bovenstaande kader is ook de agenda van de ouders bepalend voor de vervoerwijzekeuze bij het halen- en brengen van de kinderen.

Ouders willen meer verkeersveiligheid
Hoe beoordelen ouders de verkeersveiligheid rond huis en op weg naar school of clubjes? Niet best. De inwoners van de vier grootste steden komen niet verder dan een vijfje. Toch geeft liefst driekwart van alle ouders aan dat er wel - meerdere - verkeersvoorzieningen zijn om de woon- en leefomgeving te verbeteren zoals woonerven, zebrapaden, stoplichten en 30km-zones. Naarmate de leeftijd van een kind oploopt, schatten de ouders het verkeer trouwens in het algemeen veiliger in.

Tot hun zesde of zevende jaar worden vrijwel alle kinderen door hun ouders naar school gebracht. Een kwart zit achterop de fiets of op de achterbank. De rest loopt of fietst zelf. Vanaf hun negende of tiende gaat bijna tweederde elke dag alleen op weg. Dat geldt althans vooral voor de jongens. Meisjes kuieren vaker gezellig samen met hun vriendinnen.

10 nadelige gevolgen van minder beweging(svrijheid) 

De verminderde beweging(svrijheid) van kinderen en de nadrukkelijkere begeleiding van een volwassene onderweg naar school of club heeft tal van nadelige gevolgen, zowel fysiek als mentaal:
  1. minder contact met buurtgenootjes; 
  2. minder lenig;
  3. mindere conditie;
  4. meer moeite met het oplossen van ruzietjes met andere kinderen;
  5. minder goed eten en slapen;
  6. groter risico op astmatische klachten;
  7. meer overgewicht / obesitas;
  8. minder fietsvaardigheid;
  9. minder verkeerservaring (inschattingsvermogen e.d.);
  10. lopend en fietsend ontdek je een heleboel. Vanaf de achterbank niets. 
Bron: samenvattend overzicht van SOAB op basis van diverse bronnen en onderzoeken


Maatschappelijke tendens: meer kinderen met overgewicht

Meer dikke kinderen, vooral meisjes 
Het aantal kinderen en volwassen met overgewicht en obesitas is de laatste jaren wereldwijd snel toegenomen. Ook in Nederland is overgewicht een uitdijend probleem. TNO Kwaliteit van Leven analyseerde in samenwerking met het VUmc de gegevens van meer dan 80.000 kinderen in de leeftijd vier tot vijftien jaar. Gemiddeld is veertien procent van de jongens en zeventien procent van de meisjes te dik.

Sinds 1997 is het aantal jongens dat op negenjarige leeftijd te dik is met bijna tachtig procent toegenomen van (9,0 % naar 16,1%). Voor twaalfjarige jongens en voor vijftienjarige meisjes is het aantal zelfs ruim verdubbeld. Er zijn meer meisjes te dik dan jongens, met name op jongere leeftijd. Zo is op achtjarige leeftijd bijna een kwart van de meisjes te dik ten opzichte van 17,3 procent van de jongens. Het percentage jongens en meisjes, dat veel te zwaar is (obesitas), is ook sterk toegenomen. Bij jongens van vier en twaalf jaar en meisjes van vijf en dertien jaar is het zelfs verdriedubbeld. Een relatie met minder buiten spelen en minder lopen en fietsen ligt voor de hand (zie boven).

Afb. 1 en 2. Obesitas onder jongens en meisjes. Bron: TNO    


Drie hoofdoorzaken voor overgewicht 
Er is geen eenduidig antwoord op de vraag waarom mensen overgewicht hebben. Er is wel een aantal veranderingen te noemen dat de kans op overgewicht vergroot. Simpel gezegd eten mensen te veel, eten ze te ongezond en bewegen ze te weinig. Dit geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen. De drie hoofdoorzaken voor overgewicht zijn:

1. Aanbod van voedsel is enorm veranderd:
  • fast-food;
  • kant-en-klaarmaaltijden;
  • meer suikers, zout en vetten. 
2. Forse afname van lichaamsinspanning:
  • meer autoverplaatsingen (ook naar school);
  • minder buitenspelen;
  • meer spelen zonder beweging. 
3. Maatschappelijke veranderingen:
  • volle agenda’s (minder tijd voor eten en bewegen);
  • meer tijd achter tv of computer.
 Bron: NISB 

Opmerkelijk: minder fietsen -> meer obesitas
In die gebieden waar men weinig fietst zoals Zuid Limburg, delen van Gelderland, Drenthe en Flevoland en de stad Rotterdam komt obesitas veel meer voor. En andersom ook, waar men relatief veel fietst zoals Noord-Holland Noord en de stad Amsterdam komt obesitas veel minder voor. Of er een verband bestaat tussen obesitas en fietsgebruik, is nooit bewezen. Het interessant is om dit nader te onderzoeken.

Bron: KpVV-dashboard 'gezondheid'

klik afbeelding om te vergroten


Afb 3 (links) gebieden met relatief meer (rood) en           Afb 4 (rechts) gebeiden waar weinig (rood) of
minder (groen) obesitas dan gemiddeld (geel)                 juist relatief veel (groen) wordt gefietst.

 

Effect schaalvergroting minder van belang

Aantal kinderen in basisschoolleeftijd blijft stabiel 
Ondanks de vergrijzing van Nederland en tegen de verwachting in is het aandeel van kinderen in de basisschoolleeftijd t.o.v. de totale bevolking sinds 2002 nauwelijks gedaald (met 0,47% ofwel 25.000 kinderen).
Tabel 2. Aantal kinderen op de basisschool (afgezet tegen totale populatie) Bron: CBS 
Klik op tabel om te vergroten


De daling is overigens de laatste vijf jaar bijna drie keer zo sterk als de eerste vijf jaar. Tussen 2002 en 2007 daalde het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd met 0,15% terwijl dat tussen 2007 en 2012 0,42% is. Vooral de laatste drie jaar is er een sterkere afname met 0,11 procentpunt per jaar in tegenstelling een gemiddelde afname van 0,034 procentpunt de jaren daarvoor.

Nauwelijks schaalvergroting scholen 

School altijd om de hoek
Schaalvergroting in het schoolverkeer leidt tot grotere afstanden, waardoor de auto een belangrijker aandeel inneemt, zo denken we. Maar de in het begin van de jaren '90 ingezette schaalvergroting en ruimtelijke concentratie in het basisonderwijs, is in werkelijkhied nauwelijks doorgevoerd. Maar liefst 97% van de bevolking woont op minder dan 2 kilometer van de dichtstbijzijnde basisschool. Zelfs in niet-stedelijke gebieden woont slechts 4% van de bevolking op 3 of meer kilometer van een basisschool.

Tussen 2000 en 2011 is, ook in tegenstelling tot het idee dat leeft, het aantal scholen relatief weinig afgenomen: met 66 scholen van de 7.000 basisscholen komt dat uit op nog geen 1%. Ook het overzicht hieronder laat zien dat in 10 jaar het voedingsgebied van een gemiddelde school licht is toegenomen. Schaalvergroting kan dus nauwelijks reden voor ouders zijn om hun kroost meer per auto naar school te brengen. Voor krimpgebieden ligt dit mogelijk anders. Op basis van deze gegevens is het niet mogelijk om hier uitspraken over te doen.

Schaalvergroting basisscholen 

                                                                               Aantal                            km2 per school
Aantal scholen in schooljaar 2000/2001                   7059                              5,88
Aantal scholen in schooljaar 2010/2011                   6993                              5,94
Daling scholen in van 2000/2001 tot 2010/2011      66 (afname 0,09%)         groei van
                                                                                                                     0,06 km2

Bron: CBS

Scholen met bijzondere signatuur trekken wel, maar beperkt 
Veel kinderen zitten toch op de basisschool dicht in de buurt of op relatief korte afstand: alleen ouders met specifieke voorkeuren voor onderwijssystemen of een specifieke geloofsovertuiging kiezen voor scholen met een bijzondere signatuur en leggen daarvoor extra woonschoolkilometers af. Meer over de modal split van scholen met een verschillende signatuur vind u hier. Veel schoolbesturen van scholen met een bijzondere geloofssignatuur zeggen te maken te hebben met een groot invloedsgebied van de school. Ze voeren daarmee een pleidooi voor extra parkeerplaatsen. Desondanks woont toch het merendeel van de kinderen  vlakbij de school. Ook in de geloofsovertuiging kan niet de reden schuilen voor een forse groei van het haal- en brengverkeer per auto.

Ook plattelandsschool is om de hoek

Stad versus platteland: kleine verschillen
Interessant is de vergelijking tussen stad en platteland. Vooronderstelling is toch, dat op het platteland sprake is van een grotere autoafhankelijkheid, omdat de basisscholen verder liggen dan in de stedelijke situatie. Dat blijkt veel minder het geval dan gedacht of verwacht. Uit onderstaande tabel blijkt opnieuw, dat (zoals verwacht) kinderen in de stad de school om de hoek hebben: 97% van de kinderen woont op minder dan 1 kilometer van de school. Opvallend is echter, dat ook op het platteland de school voor 88,4 % van de kinderen op maximaal 2 kilometer ligt.

Afstand tot basisschool
Zeer sterk stedelijk
Sterk stedelijk
Matig stedelijk
Weinig stedelijk
Niet stedelijk
Totaal
0-1 kilometer
99,1
96,8
92,6
86,7
71,8
89,7
1-2 kilometer
0,9
3,0
6,6
10,0
16,6
7,3
2-3 kilometer
0,0
0,1
0,6
2,4
7,8
2,1
3-4 kilometer
0,0
0,0
0,2
0,7
2,7
0,7
4-5 kilometer
0,0
0,0
0,0
0,1
0,8
0,2
> 5 kilometer
0,0
0,0
0,0
0,1
0,3
0,1

Tabel 3. Bereikbaarheid van basisscholen: aandeel (%) van de bevolking per afstandsklasse, naar stedelijkheid van postcodegebied, 2002. Bron: CFI, CBS; bewerking RPB

Verdere nuancering
Bij de jonge scholieren (basisschoolleerlingen) zijn de afstanden overwegend kort: 15% woont op minder dan 500 m van school, 46% tussen de 500 en 1500 meter. Slechts 3% moet verder reizen dan 5 km.

Als we kijken naar hoe ver kinderen van school wonen en hoe ze naar school komen dan zien we dat kinderen tot ongeveer 1000 meter naar school lopen. Als ze verder weg wonen gaan ze of met de fiets of met de auto. De maximale afstand die kinderen fietsen ligt rond de 5 km.
Bron: Hoe gaan kinderen naar school? CVS, 2008

Afbeelding 5. Nuance in afstanden naar basisschool     Klik op afbeelding om te vergroten

Beleving verkeersonveiligheid van ouders meer verklarend dan schaalvergroting

Verkeersonveiligheid is een subjectief begrip. Hoewel het verkeer steeds drukker is geworden, nam het aantal dodelijke ongevallen met kinderen tussen de 5 en 14 jaar de afgelopen tien jaar geleidelijk af. In 1990 kwamen er nog 85 kinderen om in het verkeer, in 1999 was dit teruggelopen tot 61 en in 2009 was dit 35. Hetzelfde geldt voor het aantal kinderen dat zwaar of licht gewond raakte. Ook hier zien we een langzame afname. Maar ook al vertellen de statistieken dat het verkeer veiliger wordt, ouders voelen dat absoluut niet zo. Juist omdat het verkeer als onveilig wordt gezien, worden kinderen veel vaker naar school en clubjes gebracht, of mogen ze alleen onder toezicht buiten spelen (Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen, Montanus, M. 2010).

De afname van het aantal kinderen dat naar de basisschool fietst, komt niet door de schaalvergroting. Een plausibeler verklaring is dat ouders het verkeer onveilig vinden. Die negatieve beleving kan leiden tot een negatieve spiraal: omdat ouders de situatie onveilig vinden, brengen steeds meer ouders hun kinderen met de auto naar school. Waardoor nog meer ouders de situatie onveilig vinden. Met als gevolg dat nog meer ouders hun kinderen per auto naar school brengen…

Kinderen doen steeds minder verkeerservaring op 
Doordat kinderen steeds minder (zelfstandig) deelnemen aan het verkeer blijft o.a. de fietsvaardigheid achter. Uit onderzoek van VVN blijkt dat 13% van de scholen vanwege de achterblijvende fietsvaardigheid niet deelneemt aan het fietsexamen. Ook van de scholen die wél meedoen aan het praktisch Verkeersexamen geeft bijna één op de tien aan dat de kinderen niet kunnen fietsen of te weinig fietservaring hebben. Ter vergelijking: in 2008 was dat nog 4% en in 2009 al 9%. Kinderen die beschikken over weinig fietsvaardigheid en verkeerservaring hebben moeite met zich veilig te gedragen in het verkeer en lopen een groter risico wanneer ze naar de (vaak verder weg gelegen) middelbare school gaan. 
Bron: VVN

Afb. 6. Mortaliteit van kinderen, bron: SWOV (2009)
               Klik op afbeelding om te vergroten

In de ongevallencijfers zien we dat oudere kinderen een groter risico lopen dan jonge kinderen. Met name op de fiets lopen ze een hoger risico. Voor alle vervoerswijzen samen valt er per miljard reizigerskilometers onder kinderen van 0-5 jaar één dode. Onder de 6-11-jarigen zijn dit er 1,8 en onder de 12-14-jarigen 3,7 (periode 2005-2007). In absolute aantallen ligt het grootste veiligheidsprobleem bij kinderen in de groep fietsers van 10-14 jaar.

Afb. 7. Verkeersdoden onder kinderen. Bron: SWOV, 2009)
      Klik op afbeelding om te vergroten
Dit komt vooral doordat ze op die leeftijd vaker zelfstandig als fietser aan het verkeer deelnemen. Bron: Factsheet verkeersveiligheid kinderen SWOV 2009.

Maar mogelijk speelt ook een afnemende vaardigheid in het verkeer een rol, doordat ze op basisschoolleeftijd (te) weinig gefietst of gelopen hebben in het verkeer.


Om kinderen beter beslagen op de fiets te laten is het belangrijk om ze op jonge leeftijd verkeerservaring op te laten doen en ze te leren hoe zich veilig moeten gedragen in het verkeer.

Meer over modal split

Fietsverbod afschaffen
Bij een flink aantal scholen is het voor kinderen verboden met de fiets te komen als ze binnen 1 à 1,5 km van school wonen. De fietsenstalling is te krap en de school verbiedt daarom de fiets voor kleine afstanden.. Deze oplossing is onwenselijk: nu voelen veel ouders en verzorgers zich min of meer gedwongen om de kinderen per auto te brengen. De beste oplossing is natuurlijk de stalling zo uit te breiden, dat iedereen weer met de fiets kan komen. Dat is goed voor milieu (minder uitstoot van autoverkeer), veiligheid (minder parkeerdrukte bij de school), beweging (geen achterbankzitters) en de zelfstandigheid van kinderen in het verkeer (meer ervaring voor de middelbare school).

Slechts 17% van de kinderen komt zelfstandig naar school
Ondanks dat 89,7% van de kinderen binnen loopafstand (1 km) en 97% van de kinderen op fietsafstand (2 km) van de school woont, komt slechts tweederde te voet of met de fiets naar school. 30% van de kinderen wordt met de auto of per taxi (3%) naar school gebracht. Van de kinderen die lopen of fietsen komt slechts 31% zelfstandig (samen met een andere kind) lopend of fietsend naar school. Over alle modaliteiten heen komt slechts 17% zelfstandig naar school.

SOAB adviseurs heeft bij meer dan 180 scholen de wijze waarop de kinderen naar school zijn gekomen / gebracht verzameld in een database. De modal split van deze scholen zijn veelal in opdracht van de gemeente onderzocht, om meer inzicht te krijgen in het verplaatsingsgedrag van en naar de scholen, of omdat ze knelpunt bij scholen wilden onderzoeken. De onderzochte scholen zijn divers qua locatie, aantal leerlingen, signatuur en verkeersproblematiek, daarmee bevat de database een (‘redelijk’) representatieve steekproef.

Ontwikkeling modal split (verplaatsingen) voor basisscholen in de SOAB-database.

Modal split (verplaatsingen), uitgesplitst naar begeleiding
Bron: SOAB.    Klik op afbeelding om te vergroten

Kenmerken die de modal split bepalen

Bepalende kenmerken voor de modal split van een school zijn:
  • inschatting verkeersonveiligheid schoolomgeving door ouders 
  • inschatting verkeersonveiligheid schoolroute door ouders 
  • parkeersituatie bij de school (ruimte, betaald parkeergebied) 
  • fietsparkeermogelijkheden en wachtruimte voor ouders met fiets bij de school 
  • verstedelijking en verkeerssituatie van buurt en schoolomgeving (bereikbaarheid school) 
  • het type ouder (werkende ouders met zorgtaken) 
  • ligging van de school t.o.v. de wijk / herkomst kinderen 
  • weer(sverwachting) 
  • signatuur van de school (educatief concept is bepalender dan religieuze signatuur) 
Bron: Modal split SOAB-onderzoeken rond ca. 180 basisscholen in Nederland.

Regen beïnvloedt met name het aantal fietsers
Uit diverse door SOAB uitgevoerde verkeersonderzoeken blijkt dat bij slecht weer 5% minder kinderen met de fiets naar school komt. Deze kinderen worden bij slecht weer door de ouders met de auto naar school gebracht. Kinderen die lopen, worden bij regen doorgaans niet gebracht; waarschijnlijk omdat zij dichterbij wonen. Overigens vinden kinderen het geen punt om door de regen te fietsen: ze fietsen graag. Ouders of verzorgers hebben hier meer problemen mee en kiezen daarom vaak voor de auto bij regen.


 Afb. 8 t/m 11: verschillen in modal splits (verplaatsingen) bij goed en slecht weer, ook inclusief begeleiding. Bron: Modal split SOAB-onderzoeken rond ca. 180 basisscholen in Nederland.    Klik op afbeelding om te vergroten


Modal split en educatief concept
Er is te weinig informatie om uitspraken te kunnen doen over verschillen per educatief concept. De (beperkte) data lijken erop te wijzen dat er op scholen in achterstandswijken meer kinderen lopend naar school komen. En dat er verschillen zijn tussen buurtscholen en streekscholen. Meer onderzoek is nodig om deze vooronderstellingen te kunnen staven.

De bandbreedtes tussen de modal splits van scholen zijn erg groot: 
  • Het aandeel auto varieert van 6 - 48 procent bij buurtscholen en van 34 - 52 procent bij streekscholen.
  • Het aandeel fiets varieert van 16 - 65 procent bij buurtscholen en van 20 - 44 procent bij streekscholen.
  • Het aandeel lopen varieert van 18- 63 procent bij buurtscholen en van 17 - 37 procent bij streekscholen.
Uit de database van SOAB blijkt dat het gemiddelde auto-aandeel in de periode 1994-2012 is gestegen van 26% naar 30%. Dit gaat ten koste van het gemiddelde fiets- en loopaandeel. Die daalden in de periodiek 1994-2012 van meer dan 40% naar 37% (voor de fiets) en van ruim 35% naar 30% (lopen). Het gemiddelde aandeel OV/Taxi/besloten vervoer bedraagt in 2012 3%. Sinds 1994 houdt SOAB de gegevens op dezelfde manier bij.

Hoe ouder de kinderen hoe meer ze zelfstandiger naar school komen en fietsen 
Een open deur, wellicht: hoe ouder kinderen zijn, hoe minder ze met auto gebracht worden en hoe meer zelfstandig ze naar school (mogen) lopen en/of fietsen.

Verklarende factoren waarom een kind wordt begeleid of niet
  • leeftijd van het kind;
  • leeftijdsverschil tussen ouder/verzorger en het kind;
  • aanwezigheid van andere broertjes of zusjes;
  • ingeschatte verkeers(on)veiligheid door de ouder/verzorger;
  • verstedelijking/inrichting van de woon/schoolomgeving.

Kinderen hebben een andere mening over problematiek


Kinderknelpunten wijken sterk af van ouderknelpunten
Uit de SOAB-onderzoeken zijn de knelpunten die ouders en kinderen op weg van huis naar school ervaren onderzocht. Hieruit blijkt dat de knelpunten die kinderen en ouders ervaren sterk van elkaar verschillen. Dit heeft mede te maken met een verschillende verkeersbeleving van volwassenen en kinderen. Zo ervaren ouders vooral knelpunten in de directe schoolomgeving (parkeersituatie bij de school), terwijl kinderen veel meer knelpunten aangeven op de woon-schoolroute.

Daarmee is de inschatting van kinderen van hun problemen realistischer en dus bruikbaarder dan die van de ouders: die kijken alleen naar de parkeersituatie vlakbij de school.

Afb. 12. Kinderknelpunten op de hele route. Bron: Schoolmonitor Waalwijk, SOAB, 2011
Afb. 13. Ouderknelpunten rond de school. Bron: Schoolmonitor Waalwijk, SOAB, 2011


Wat kinderen als knelpunt ervaren

Uit de diverse onderzoeken komen typische kinderknelpunten naar voren zoals:
  • Ik vind donkere tunnels eng, daarom loop ik langs een andere weg. 
  • Door haagjes bij de oversteek zien we geen verkeer aan komen. 
  • Ik loop om omdat ik niet langs die grote hond durf. 
  • Ik stap maar even van mijn fiets af bij een versmalling. Dan kan ik beter zien of er auto’s aankomen. 
Bron: Modal split SOAB-onderzoeken rond ca. 180 basisscholen in Nederland van SOAB Adviseurs, Breda

Volwassenen ervaren de kinderknelpunten vaak niet als knelpunten doordat zij door hun lengte en fysieke mogelijkheden en verkeerservaring een ander beeld hebben van omgeving en zich anders gedragen. Kenmerkende uitspraken van ouderen:
  • Gevaarlijk of lastig geparkeerde auto's, waardoor er weinig zicht is op de weg. 
  • Verkeersgedrag van anderen. 
  • Slordig geparkeerde auto's rond het schoolplein. 
  • Te hard rijdende auto's. 
  • Geen of onveilige fietspaden/stroken. 
  • Het oversteken van drukke wegen.

Gedragsprobleem ouders 
Van ouders met kinderen op de basisschool beoordeelt 36% de schoolomgeving als verkeersonveilig. De drie belangrijkste redenen om de schoolomgeving verkeersonveilig te vinden, zijn respectievelijk dat er te veel auto’s rond de school rijden (86%), ouders midden op de weg parkeren of het andere verkeer blokkeren (79%) en automobilisten zich niet aan de snelheid houden (63%).
Bron: VVN 2010 

Veel scholen ervaren een verkeers(veiligheids)probleem, omdat ouders er vaak een chaos van maken… Geconcludeerd kan worden: Ouders HEBBEN geen probleem, maar ZIJN vaak het (belangrijkste) probleem!

Meten = weten

Periodiek onderzoek als basis voor een structurele aanpak 
Iedere school en iedere schoolomgeving is anders. Maatwerk is nodig om het exacte probleem van een bepaalde school inzichtelijk te maken. Door de jaren heen verandert de populatie kinderen en daarmee de ouders. Ook dat leidt tot veranderd gedrag in parkeren, de vervoerwijzekeuze en de inschatting van de problematiek. Het is daarom raadzaam om jaarlijks te meten.

Het periodiek uitvoeren van onderzoek is daarom belangrijk. Belangrijke onderdelen en indicatoren zijn:
  • modal split
  • knelpunten op woon-schoolroutes
  • objectivering gegevens door kinderen te laten antwoorden i.p.v. ouders die sociaal wenselijke antwoorden geven. 
  • onderbouwing zwaarte/ernst knelpunten, bijv. met ongevallencijfers. 
  • creëren draagvlak onder ouders, buurtbewoners, gemeente, politie etc. voor knelpunten en maatregelen. 
  • basis voor het op maat maken van parkeerberekeningen via de CROW-methodiek. Om de hoeveelheid autoverkeer dat een basisschool of kinderdagverblijf genereert te berekenen en het benodigde aantal Kiss&Ride parkeerplaatsen is een systematiek ontwikkeld die is opgenomen in de rekentool ‘Verkeersgeneratie en parkeren’. 
  • basis voor beleid: een gedragen aanpak van de schoolomgeving, samen met ouders, kinderen, gemeente, politie en buurt. Zie daarvoor ook 'succes-en faalfactoren'.
Door te meten blijkt bijvoorbeeld of een school een typische autoschool, fietsschool of loopschool is.